nettoloon

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • net·to·loon
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nettoloon nettolonen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nettoloon o [1]

  1. het brutoloon waar onder andere belasting en sociale premies van zijn afgetrokken
    • Het nettoloon neemt licht toe deze maand. Deze stijging echter is alweer tenietgedaan door de lastenverzwaringen, meent Peter de Quaak.[2] 
    • Wie een straks een blik werpt op het al dan niet gestegen nettoloon, doet er goed aan het loonstrookje te controleren.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 05 jan. 2018
  3. de Telegraaf 04 jan. 2018