negotie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

marktkoopman met zijn negotie
Uitspraak
Woordafbreking
  • ne·go·tie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘handel’ voor het eerst aangetroffen in 1520 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord negotie negoties
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

negotie v [3]

  1. handelswaar waarmee iemand een kleine handel drijft met name bij venters en marktkooplieden
    • Leo Slachmuylders, kruidenier in Sint-Pieters-Leeuw, sluit na 42 jaar zijn buurtwinkeltje. Zo’n verhaal vertedert. Waar is de tijd dat familiezaakjes van vader op zoon op dezelfde plek dezelfde negotie dreven? Bij de Slachmuylders had het zo wel 160 jaar geduurd, achterhaalde Het Laatste Nieuws. Nu is het voorbij. Geen mens die er immers aan denkt het handeltje over te nemen. Niet meer van deze tijd. Hoe kan een eenmansbedrijfje nog optornen tegen de grootdistributie? [4] 
    • Polderdieke, de legendarische Eibergse die zo'n honderd jaar geleden de catering van Berkelpolderaars verzorgde en met een kinderwagen vol negotie door Eibergen en omgeving trok, was zaterdagmorgen een van de hoofdpersonen rond de viering van 25 jaar Historische Kring Eibergen [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen