najouwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·jou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
najouwen
jouwde na
nagejouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

najouwen [1]

  1. overgankelijk om van zijn afkeuring en minachting blijk te geven iemand spottend en schimpend naroepen
Vertalingen

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Verwijzingen