nachtwaker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nacht·wa·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nachtwaker nachtwakers
verkleinwoord nachtwakertje nachtwakertjes

Zelfstandig naamwoord

nachtwaker m

  1. (beroep) een persoon die 's nachts de wacht houdt
    • Wij hebben drie nachtwakers ingehuurd om eventuele diefstal van de dure ring te voorkomen. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be