mote

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mo·te
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mote moten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mote v / m

  1. (verouderd) kunstmatig aangelegde aarden heuvel (waarop een kasteel werd gebouwd)
      Emmer was de vergharinghe vande ghuesen, als zij jeghen de Coninclicke Majesteijt conspiereerden, up zijn mote tot Wondelghem ghehauden; (…)[2]
Synoniemen
  • motte (gangbare uitspraakvariant)

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 8 februari 2022 Weblink bron Marcus van Vaernewyck (ed. Vanderhaeghen) “Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden en voornamelick in Ghendt 1566-1568. Deel 4 8e boek” (1881), C. Annoot-Braeckman, Gent, p. 65 op Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren op Wikipedia