mondjevol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mond·je·vol
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mondjevol mondjevollen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

mondjevol o

  1. een heel klein beetje
Uitdrukkingen en gezegden
  • een mondjevol [naam van een taal]
slechts een heel beperkte kennis hebben van [naam van een taal]
  • “Parthenos”, bezweert meneer Konstantinos. De grond van Lesbos is superrijk, maar nog parthenos, ongerept. Verontwaardigd reageert hij op mijn vraag waarom Lesbos naar verhouding zo weinig archeologische monumenten heeft te bieden. Integendeel, Lesbos zit er vol mee, boordevol! Maar - hier kijkt meneer Konstantinos zuinig en kiest hij zijn woorden zorgvuldig, mede omdat hij maar een mondjevol Duits en nog minder Engels spreekt - het is allemaal de schuld van de Europese Unie! Die beloven van alles, maar wat geld geven voor opgravingen - ho maar. [2]
  • De bedrijven in het naburige kantoorpark vragen alleen hoger opgeleiden. Een automatiseringsdeskundige die alleen Arabisch en Engels spreekt, komt meteen aan bod maar een slecht geschoolde met een mondjevol Nederlands kan het vergeten. [3]
Synoniemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen