Naar inhoud springen

slokje

Uit WikiWoordenboek
  • slok·je

hetslokjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord slok
     ' Ik nam een slokje cider.[1]
     We kregen geen hele boterham meer als maaltijd, maar nog maar een halve met een enkel slokje water.[2]
  1. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375