mastiek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mas·tiek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mastiek -
verkleinwoord mastiekje mastiekjes

Zelfstandig naamwoord

mastiek m / o [2]

  1. kostbare harssoort afkomstig van de mastiekboom, o.a. gebruikt voor schilderijvernis
  2. kit
  3. een bindmiddel in asfaltmengsels, bestaande uit zand, koolteerpek en vulstof dat o.m. werd gebruikt als bedekking voor platte daken
  4. stopverf
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders
74 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen