marker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord marker markers
verkleinwoord markertje markertjes

Zelfstandig naamwoord

marker m

  1. een markeerstift die doorzichtige fluorescerende inkt bevat die erg opvalt
    • Door het gebruik van een marker kon de tekst niet meer gekopieerd worden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·ker
Naar frequentie 13588

Zelfstandig naamwoord

marker

  1. nominatief onbepaald vrouwelijk meervoud van mark


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·ker

Zelfstandig naamwoord

marker

  1. nominatief onbepaald vrouwelijk meervoud van mark


Zweeds

Uitspraak
Naar frequentie 9282

Zelfstandig naamwoord

marker

  1. nominatief onbepaald gemeenschappelijk geslacht meervoud van mark