maning
Uiterlijk
- ma·ning
- naamwoord van handeling van manen met het achtervoegsel -ing[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | maning | maningen |
| verkleinwoord |
de maning v
- strenge, dwingende aanmoediging om iets te doen of te laten
- Het woord 'maning' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "maning" herkend door:
| 70 % | van de Nederlanders; |
| 71 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be