Naar inhoud springen

louter

Uit WikiWoordenboek
  • lou·ter
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘zuiver’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1201 [1]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen louterlouterderlouterst
verbogen louterelouterderelouterste
partitief louterslouterders-

louter

  1. puur, enkel
    • Hij leeft in een wereld van louter plezier. 
    • Microsoft heeft het aangedurfd openlijk stelling te nemen tegen de regering van president Donald Trump. En niet louter uit principiële motieven.[2] 
vervoeging van
louteren

louter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van louteren
    • Ik louter. 
  2. gebiedende wijs van louteren
    • Louter! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van louteren
    • Louter je? 
97 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[3]