louter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lou·ter
stellend
onverbogen louter
verbogen louter

Bijvoeglijk naamwoord

louter

  1. puur, enkel
    Hij leeft in een wereld van louter plezier.

Werkwoord

vervoeging van
louteren

louter

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van louteren
    Ik louter.
  2. gebiedende wijs van louteren
    Louter!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van louteren
    Louter je?