lintmeter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

lintmeter in een haspel
Kunststof lintmeter, meestal te vinden in moeders naaidoos
Uitspraak
Woordafbreking
  • lint·me·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lintmeter lintmeters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lintmeter m [1]

  1. (techniek) een meetinstrument, in de vorm van een band, waarmee de maat van iets genomen kan worden, of waarmee men afstanden kan meten
    • Het Pink Ribbon-lintje kost 3 euro en is te koop in 1.250 handelszaken van 12 verschillende distributeurs. De lintmeter, die Vermeulen in zijn ontwerp verwerkte, symboliseert dat men ‘maat’ moet houden, dagelijks 30 minuten moet bewegen en overgewicht moet vermijden. Het symboliseert ook het element ‘controle’ dat erop wijst dat tijdige opsporing levens redt. Wanneer men de ziekte vroegtijdig kan opsporen is er 99 procent kans op genezing en de impact van de behandeling minder ingrijpend.[2] 
    • Dokter Pierre Marie van het beroemde Parijse hospitaal en krankzinnigengesticht La Salpêtrière, schreef Erwin Mortier in zijn 'vertelling' Een Spanjaard met migraine , haalde een lintmeter tevoorschijn en ging vervolgens de uitgeklede meneer M. C., die last had van hevige hoofdpijn, opmeten. 'Rechterhand', zei hij, 'maximale omtrek: 253 millimeter. Omtrek van de bovenkant van de duim: 85 millimeter. Lengte van de middenvinger vanaf de handpalm: 95 millimeter. Lengte van de ringvinger: 91 millimeter. Van de pink: 80 millimeter. De wijsvinger: 85 millimeter.'Na de handen mat en observeerde de arts ook andere lichaamsdelen. '[3]  
Synoniemen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Standaard 29/09/2015 door mtm
  3. Volkskrant Paul Depondt 8 augustus 2002