leniging

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·ni·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord leniging lenigingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

leniging v [1]

  1. het oplossen of minder zwaar maken van een nood, probleem of schuld
     Het hilarische hoogtepunt van de nationale verontwaardiging was de NS-belofte dat er plastic plaszakken in de treinen kwamen ter leniging van de hoogste nood. Uiteindelijk eiste de Tweede Kamer per motie een toilet in elke trein en zwichtten de spoorwegen.[2]
     Of neem senator Elizabeth Warren, die de sociale beweging die Bernie Sanders heeft losgemaakt nu in haar verkiezingscampagne oppakt door het ene gedegen wetsvoorstel na het andere te publiceren: van leniging van studieschulden tot meer vermogensbelasting, van plannen om woningen, kinderopvang en gezondheidszorg betaalbaarder te maken tot voorstellen om big tech op te splitsen.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

63 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Ruben Koops “Plassen kan weer in nieuwe Sprinters” (11 augustus 2018), Het Parool
  3. Bronlink Weblink bron Karin Spaink op Wikipedia “Protest en verandering zijn een zaak van lange adem” (4 juni 2019), Het Parool
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be