matiging

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ti·ging
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord matiging matigingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

matiging v [1]

  1. minder sterk, hard en krachtig maken
    • Plasterk bepleit matiging beloning top Alliander: Minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) vindt dat topbestuurders bij netbedrijf Alliander niet meer mogen verdienen dan een minister, maximaal 179.000 euro. Een meerderheid van de Tweede Kamer is dat met hem eens. Dat „signaal” brengt hij over in een brief aan Provinciale Staten van Gelderland. Die vergaderen woensdag over de topsalarissen bij het netbedrijf, waarvan Gelderland 44 procent van de aandelen bezit. De topbestuurders verdienen nu 322.000 en 342.000 euro. De aandeelhouders van Alliander vergaderen donderdag. [2] 
    • Het paneel is een raadsel op vele fronten. Niet alleen de oproep tot matiging die eruit spreekt (water bij de wijn, etcetera), die ogenschijnlijk botst met Torrentius' vrijmoedige levenswandel, maar ook de totstandkoming. Van de hooglichten op het glas- en ijzerwerk tot de samenstelling van de verf. Dat er een camera obscura aan te pas kwam en ervoor geëxperimenteerd werd met atypische bindmiddelen (pectine), zo veel is duidelijk, maar hoe die camera werd ingezet en om welke middelen het gaat: men tast in het duister. Frustrerend, niet onoverkomelijk. Het mysterie, mijmert Arie Wallert, hoogleraar restauratietechniek, houdt je gefascineerd. Je gaat het pas zien, als je het níet doorhebt. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 6 april 2016
  3. NRC Stefan Kuiper 8 juni 2017