kukelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ku·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘tuimelen’ voor het eerst aangetroffen in 1897 [1]
  • frequentatief gevormd uit klanknabootsing kuuk met het achtervoegsel -el
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kukelen
kukelde
gekukeld
zwak -d volledig

Werkwoord

kukelen

  1. ergatief buitelend tuimelen of vallen.
    • Ik zag de auto over de rand van het ravijn kukelen. 
  2. inergatief het geluid van een haan maken.
    • De haan was aan het kukelen. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.

Verwijzingen