kobold

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·bold
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘aardmannetje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1932 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kobold kobolden
kobolds
verkleinwoord koboldje koboldjes

Zelfstandig naamwoord

kobold m

  1. een kwaadaardige kabouterman (in Germaanse vertellingen)
    • Een groepje kobolden had alle borelingen in het dorp verwisseld. 
Antoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen