knik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • knik
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord knik knikken
verkleinwoord knikje knikjes

Zelfstandig naamwoord

knik m [4] [5] [6] [7] [8] [9]

  1. een snelle neerwaartse beweging met het hoofd als bevestiging of groet
    • Met een knikje gaf hij het teken de deur in te rammen. 
  2. een geknakte plek
    • Er zit een knik in de kabel, waardoor er geen goed elektrisch contact meer is. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
knikken

knik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knikken
    • Ik knik. 
  2. gebiedende wijs van knikken
    • Knik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knikken
    • Knik je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl
  4. Woordenboek der Nederlandse taal
  5. Woordenboek der Nederlandse taal
  6. Woordenboek der Nederlandse taal
  7. Woordenboek der Nederlandse taal
  8. Woordenboek der Nederlandse taal
  9. Woordenboek der Nederlandse taal