kleursel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kleur·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kleursel kleursels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kleursel o [1]

  1. stof waarmee je iets een bepaalde kleur kan geven
    • ”Samen bouwen aan uw kaas”, is een slogan van CZ Rouveen. In principe kan elke kaas -in een minimumhoeveelheid van 1000 kilo- worden samengesteld uit reeksen van melk- en vetsoorten, vetgehaltes en hulpstoffen zoals zuursel, stremsel, kleursel, conserveringsmiddel of een eigen inbreng. [2] 
    • Met zo'n flesje en een kilo suiker maak je je eigen siroop, die weer goed is voor liters limonade.” Ernaast staan de 'kleursels': poeders die het eten rood, geel, groen en zelfs blauw kleuren. “Ik ben er voorzichtig mee, want ze zijn niet erg gezond”, zegt Sjors, “maar sommige mensen vinden dat gezellig, een knalrode kip op tafel.” [3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
85 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.


Gangbaarheid

Verwijzingen