klassieker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klas·sie·ker
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘wielerwedstrijd op de weg’ voor het eerst aangetroffen in 1961 [1]
  • afgeleid van klassiek met het achtervoegsel -er [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord klassieker klassiekers
verkleinwoord klassiekertje klassiekertjes

Zelfstandig naamwoord

klassieker m

  1. (sport) een wedstrijd die al sinds vele jaren gehouden wordt
    • Parijs-Roubaix is een echte klassieker. 
  2. overdrachtelijk iets dat al van oudsher populair is
    • Paling in 't groen is een klassieker onder de visgerechten. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Bijvoeglijk naamwoord

klassieker

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van klassiek

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen