kasuaris

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[1] kasuaris

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·su·a·ris
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Indonesisch, in de betekenis van ‘loopvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1763 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kasuaris kasuarissen
verkleinwoord kasuarisje kasuarisjes

Zelfstandig naamwoord

kasuaris m

  1. (vogels) een grote loopvogel afkomstig uit de tropische regenwouden van Nieuw-Guinea en Australië.
Vertalingen

Gangbaarheid

36 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen