kastrol
Uiterlijk
- kas·trol
- Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘braadpan’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1778 [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kastrol | kastrollen |
| verkleinwoord | kastrolletje | kastrolletjes |
- Het woord kastrol staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "kastrol" herkend door:
| 47 % | van de Nederlanders; |
| 59 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "kastrol" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ kastrol op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Huishouden in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 47 %
- Prevalentie Vlaanderen 59 %