kassei

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een weg met kasseien
Uitspraak
Woordafbreking
  • kas·sei
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘straatsteen’ voor het eerst aangetroffen in 1300 [1]
  • straatsteen [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kassei kasseien
verkleinwoord kasseitje kasseitjes

Zelfstandig naamwoord

kassei v/m [3]

  1. straatkei gemaakt van natuursteen met de grootte van het hoofd van een kind en een afgeronde bovenkant
    • De Strade Bianche is in tien jaar tijd uitgegroeid tot een klassieker onder de klassiekers - vanwege de heroïsche taferelen onderweg, maar toch ook omdat spektakel gegarandeerd is. Adriaan Helmantel, ploegleider bij Team Sunweb: „In wedstrijden als Luik-Bastenaken-Luik of de Amstel Goldrace kun je met zes man een heuvel op rijden. Dat gaat ’m hier niet worden, met die grindpaden. Hier wordt altijd koers gemaakt. Dat maakt het gaaf om naar te kijken.” Gaaf, maar niet voor iedereen weggelegd. „Je hebt heel speciale vaardigheden nodig om hier goed te zijn”, zei Cancellara. Hij herinnerde zich de grote mentale vermoeidheid. „Net als met de kasseien in Parijs-Roubaix. Dat vergt enorme concentratie.” [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
kasseien

kassei

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kasseien
    • Ik kassei. 
  2. gebiedende wijs van kasseien
    • Kassei! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kasseien
    • Kassei je?