karn

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • karn
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord karn karnen
verkleinwoord karntje karntjes

Zelfstandig naamwoord

karn v/m

  1. (gereedschap) een vat met een stamper bedoeld om er room tot boter in te karnen
    • De karn is nu geheel verdrongen door de boterbereidingsmachine. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
karnen

karn

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van karnen
    • Ik karn. 
  2. gebiedende wijs van karnen
    • Karn! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van karnen
    • Karn je? 

Gangbaarheid

70 % van de Nederlanders
51 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen