kandelaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kan·de·laar
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kaarsdrager’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord kandelaar kandelaars
kandelaren
verkleinwoord kandelaartje kandelaartjes

Zelfstandig naamwoord

kandelaar m

  1. standaard waarop één of meer kaarsen geplaatst kunnen worden
Synoniemen
Spreekwoorden
  • om der wille van de smeer likt de kat de kandeleer (Jacob Cats?)
als iemand erg aardig doet is er meestal een bijbedoeling
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kandelaren

kandelaar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kandelaren
    • Ik kandelaar. 
  2. gebiedende wijs van kandelaren
    • Kandelaar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kandelaren
    • Kandelaar je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen