kaarden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaar·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kaarden
kaardde
gekaard
zwak -d volledig

Werkwoord

kaarden

  1. overgankelijk het behandelen van ruwe katoen of wol met behulp van een kaard
    • Kamsters kamden of kaardden de wol, spinsters sponnen deze tot garen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

41 % van de Nederlanders
28 % van de Vlamingen.

Meer informatie