jutter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

beeld van een jutter
Uitspraak
Woordafbreking
  • jut·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jutter jutters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jutter m

  1. iemand die aangespoelde voorwerpen meeneemt zonder daarvoor toestemming te hebben van de overheid
    • Ik bel de man wiens zoldermuseum ik net heb bezocht. Willem de Rover (70), ex-strandjutter en sinds 1984 gemeentelijk strandvonder van Schoorl. Hij is de opvolger van Gutker, die hem zelf voordroeg, want wie beter dan een jutter kent de geheimen van de branding? [1] 
    • ,,Haha, hartstikke mooi," reageert Hessel Wiegman. Hij is sinds mensenheugenis dé zeehondenredder en jutter op Terschelling. Elke dag inspecteert deze vrijbuiter van de eilanden qua uiterlijk een kruising tussen Bennie Jolink en Jan Wolkers - de westelijke stranden van zijn eiland. [2] 
    • Veel was er niet meer van het zeilbootje over. Het lag half begraven onder het zand, het dek versplinterd. Vermoedelijk hadden jutters er al het een en ander afgesloopt toen het op 24 juni 1995 werd ontdekt door een strandvonder. [3] 
Verwante begrippen
Hyponiemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen