joepen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • joe·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
joepen
joepte
gejoept
zwak -t volledig

Werkwoord

joepen

  1. inergatief springen, wippen
    • Waar sommige mannen blind hun jongeheer achterna '''joepen''', volgen veel vrouwen het geld.[1] 
  2. zaklopen
  3. stelen, jatten
    • Enige weken geleden werd mijn fiets gejoept. 
  4. (pejoratief) vrijen, neuken
    • De goudvissen die joepten er hier maar op los, en heel mijne put zat vol goudvis.[2] 
enkelvoud meervoud
naamwoord - joepen
verkleinwoord - -

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord

Zelfstandig naamwoord

joepen mv

  1. (pejoratief) borsten, tieten

Zelfstandig naamwoord

joepen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord joepen

Gangbaarheid

28 % van de Nederlanders;
18 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen