janet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ja·net
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord janet janetten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

janet m

  1. (pejoratief) homoseksueel
    • ‘Ik ben liever lid van een groep die mij niet wil laten trouwen en soms vuile janet roept, dan van een groep die de grenzen wagenwijd openzet’ [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

44 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen