invlieger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·vlie·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord invlieger invliegers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

invlieger m

  1. (luchtvaart) piloot die een nieuw type vliegtuig uitprobeert
Synoniemen

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.

Verwijzingen