invlieger

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·vlie·ger
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord invlieger invliegers
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

invlieger m

  1. (luchtvaart) piloot die een nieuw type vliegtuig uitprobeert
Synoniemen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be