invliegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·vlie·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
invliegen
vloog in
ingevlogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

invliegen

  1. ergatief vliegend binnengaan
    • Zij waren zonder toestemming het Libische luchtruim ingevlogen. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.