Naar inhoud springen

invité

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: invite
  • in·vi·té
enkelvoud meervoud
naamwoord invité invités
verkleinwoord inviteetje inviteetjes

deinvitém [2]

  1. (formeel), genodigde,  gast zn  [1]
     [...] Antonio, gewend aan zijn betrekkelijk rustig leventje — een gast afhalen of wegbrengen naar het station—, de post een paar keer per dag rustigjes sorteeren, en verder wat lummelen in en om zijn loge en den lift, — haatte het bal, om al de invités der pensionnaires [...] .[3]
88 %van de Nederlanders;
87 %van de Vlamingen.[4]


  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   invité     l'invité     invités     les invités  
vrouwelijk   invitée     l'invitée     invitées     les invitées  

invité m

  1.  gast zn  [1]; genodigde; invité

invité

  1. voltooid deelwoord (participe passé) van inviter


vervoeging van
invitar

invité

  1. eerste persoon enkelvoud verleden tijd (pretérito indefinido) van invitar