invalster

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·val·ster
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord invalster invalsters
verkleinwoord invalstertje invalstertjes

Zelfstandig naamwoord

invalster v

  1. Vrouwelijke invaller.
    • Ze speelde uiteindelijk alle duels, maar was voornamelijk invalster. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.