inrukken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ruk·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inrukken
rukte in
ingerukt
zwak -t volledig

Werkwoord

inrukken

  1. ergatief (militair) snel een gebied binnenvallen
    • Ze waren al een flink stuk het land ingerukt voordat ze op enig verzet stuitten. 
  2. inergatief snel vertrekken, met name naar huis, kazerne, kleedkamer, remise e.d.
    • Na die rode kaart kon er ingerukt worden. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
88 % van de Vlamingen.