inrekenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·re·ke·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inrekenen
rekende in
ingerekend
zwak -d volledig

Werkwoord

inrekenen

  1. overgankelijk in hechtenis nemen
    • Beide inbrekers zijn vanmorgen ingerekend door de politie. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.