inkaderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ka·de·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

inkaderen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inkaderen
kaderde in
ingekaderd
zwak -d volledig
  1. aangeven binnen welke grenzen iets is en welke verhouding het met de omgeving heeft
    • Het is het Engels dat Sehnsucht moet inkaderen door het te omschrijven. Om het hardst beschrijven Engelse schrijvers het als een ontroostbaar verlangen naar je weet niet wat, waarmee het meteen voor alle Europeanen vast staat: Sehnsucht is de unconsolable longing naar je ne sais quoi. (Maxim Februari NRC 8 maart 2016)  
  2. inlijsten van een afbeelding

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.