kaderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·de·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kaderen
kaderde
gekaderd
zwak -d volledig

Werkwoord

kaderen

  1. inkaderen
    • Het schilderij werd ingekaderd. 
  2. in het grote geheel laten passen
    • De wildebras liet zich niet kaderen. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.