injector

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·jec·tor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord injector injectoren
injectors
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

injector m

  1. apparaat dat een vloeistof in iets spuit
    • Broederlijk vormen ze een linie die het weiland systematisch afgraast. Even systematisch laten de ganzen hun keutels vallen, één per minuut. Zo bemesten ze het begraasde gras, zonder injector. [2] 
    • Later in de etappe werd in het Andesgebergte enorm koud. Er viel regen en zelfs sneeuw. Er ging nog tweemaal een injector kapot en dat zorgde voor veel oponthoud, in totaal zo’n vijf uur. [3] 
    • De 3,8 liter bi-turbomotor in de kont van de 911 Turbo is onder handen genomen om nog meer vermogen te kunnen leveren. Porsche geeft aan dat onder andere de inlaatkanalen in de cilinderkop, de injectoren en een brandstofdruk (verhoogd) zijn gewijzigd. [4] 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen