injecteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
injecteren injecterend
injectie geïnjecteerd
Uitspraak
Woordafbreking
  • in·jec·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
injecteren
injecteerde
geïnjecteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

injecteren

  1. overgankelijk het inbrengen van een vloeistof in een gesloten vat of lichaam middels een holle naald
    Hij injecteerde de onbekende stof in de gaschromatograaf.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl