inglijden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·glij·den
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

inglijden [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inglijden
gleed in
ingegleden
klasse 1 volledig
  1. (voetbal) maken van een sliding
    • Wat is er wel goed aan PSV? "Hirving Lozano en Cocu", vindt Swart. "Maar Lozano moet zich wel normaal gedragen. En snel. Het lijkt wel of hij altijd iemand een tik wil verkopen. Tegen AZ had hij met dat inglijden op de keeper ook een kaart kunnen krijgen." [2] 
    • We kwamen allebei inglijden. Ik trok m'n been nog in, omdat ik er niet gestrekt in wilde komen. Maar daardoor raakte ik Luuk op hoge snelheid juist vol met mijn knie in zijn ribben. Ik voelde gelijk dat het mis was. Dat deed wel wat met me. Ik ken Luuk uit onze tijd bij FC Twente, ik vind dit heel vervelend voor hem. [3] 
  2. met een schuivende beweging ergens ingaan
    • Ga voorzichtig om met de eieren en gooi ze niet zomaar in de pan. Voer de handeling kalm uit en laat het ei rustig het water inglijden. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen