Naar inhoud springen

ineen

Uit WikiWoordenboek
  • in·een

ineen

  1. tot één geheel verenigd
    • Dit is een sofa en een reservebed ineen. 
  2. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: in elkaar
     'ineenkrimpen Ze was al bij de deur toen hij ineens vroeg: 'Waar is mijn vrouw?' Haar maag kromp ineen van schrik en ze draaide zich naar hem om.[2]
     ineenduiken Ze stond als aan de grond genageld en dook ineen van angst.[2]
98 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[3]
  1. ineen op website: Etymologiebank.nl
  2. 1 2
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be