ineen
Uiterlijk
- in·een
ineen
- tot één geheel verenigd
- Dit is een sofa en een reservebed ineen.
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord: in elkaar
- ineenduiken: Geschrokken doken zij ineen.
- ▸ 'ineenkrimpen Ze was al bij de deur toen hij ineens vroeg: 'Waar is mijn vrouw?' Haar maag kromp ineen van schrik en ze draaide zich naar hem om.[2]
- ▸ ineenduiken Ze stond als aan de grond genageld en dook ineen van angst.[2]
- Het woord ineen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "ineen" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 95 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ ineen op website: Etymologiebank.nl
- 1 2 Jessie Burton vert. Marja Borg“De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024574704 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Bijwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 95 %