individualistisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·di·vi·du·a·lis·tisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen individualistisch individualistischer
verbogen individualistische individualistischere
partitief individualistisch individualistischers -

Bijvoeglijk naamwoord

individualistisch

  1. nadrukkelijk onafhankelijk van anderen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.