inblazing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·bla·zing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inblazing inblazingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

inblazing v [1]

  1. gedachte die door iets of iemand anders opgewekt wordt
     De inblazing is alleen maar een aanzet of een voorstel, hetzij van de duivel, hetzij van een instrument van de duivel, geheel en al buiten ons. Dit kan bij ons geen zonde heten als er maar geen vermaak of inwilliging bijkomt. Dat zijn tekenen van zwakheid.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Simon Oomius “Satans inblazing” (13-06-2016), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be