Naar inhoud springen

improductief

Uit WikiWoordenboek
  • im·pro·duc·tief
  • afleiding van productief met het ontkennend voorvoegsel in- (niet, on-)
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen improductief improductiever improductiefst
verbogen improductieve improductievere improductiefste
partitief improductiefs improductievers -

improductief [1]

  1. (economie) geen nuttige zaken voortbrengend; van iets dat het niet de beoogde werking heeft
    • Ha, even mailen. Snel een afspraak verzetten of een contract herbevestigen. Maar er kleven bijwerkingen aan al die werkmails: personeel raakt gestrest, wantrouwig en improductief.[2]  
    • Als mensen zwijgen tijdens een conflict met hun partner, kan dat twee vormen aannemen. De eerste vorm is dat iemand stilvalt, weigert ergens over te praten en zijn partner ontwijkt. Die partner gaat dan juist steeds meer vragen stellen en wordt steeds bozer - een klassiek ruziepatroon. Bij de tweede vorm zwijgt juist degene die een probleem heeft: die wil wel dat het probleem besproken wordt, maar verwacht dat haar partner ‘gedachten leest’ en spontaan het initiatief neemt. Mannen zwijgen vaker op de eerste en vrouwen vaker op de tweede manier tijdens een echtelijk conflict, beschrijven Texaanse psychologen in een artikel dat online verscheen in Psychological Assessment (17 november). Beide vormen van zwijgen lijken improductief.[3] 
  2. (taalkunde) voor affixen dat ze niet meer gebruikt kunnen worden voor het maken van nieuwe afleidingen
  3. (landbouw) onvruchtbaar


  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Volkskrant 16 juni 2017
  3. NRC 24 november 2014