ieder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ie·der
naamwoord
onverbogen ieder
verbogen iedere
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘onbepaald voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573 [1]

Onbepaald voornaamwoord

ieder

  1. elk, alle afzonderlijk,
    • In ieder geval. 
     In Nederland duurde die oorlog van het jaar 1940 tot 1945. Nederland was bezet door Duitsland. De Duitsers waren de baas over Nederland. Het was een heel moeilijke tijd. Er vielen veel doden. Ieder jaar worden de slachtoffers van de oorlog herdacht op 4 mei. En ieder jaar wordt op 5 mei gevierd dat Nederland een vrij land is.[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Gronings

Zelfstandig naamwoord

ieder o

  1. (element)(scheikunde) ijzer; een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26. Het is een grijs overgangsmetaal. Het is instaat om warmte en elektriciteit te geleiden in vaste toestand
Afkorting


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

ieder

  1. (element)(scheikunde) ijzer; een scheikundig element met het symbool Fe en het atoomnummer 26. Het is een grijs overgangsmetaal. Het is instaat om warmte en elektriciteit te geleiden in vaste toestand
Schrijfwijzen
Afkorting

Meer informatie

Meer informatie