hortensia

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

hortensia
Uitspraak
Woordafbreking
  • hor·ten·sia
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘sierheester’ voor het eerst aangetroffen in 1844 [1]
  • uit het Latijn [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord hortensia hortensia's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hortensia v/m [3]

  1. (plantkunde) plant met grote bolvormige bloemen (die eigenlijk een verzameling zijn van veel afzonderlijke bloemen)
    • Het gras groeide bijna tot in de dakgoot. De moestuin was overwoekerd met onkruid. Het land had gehooid moeten worden. De hortensia's in de voortuin waren verdord. En in plaats van me daar schuldig over te voelen was ik bezig met het plannen van mijn volgende zeilreis. Dit boerenleven paste niet meer bij me. [4] 
    • Zijn moeder reserveerde in haar schrift minder ruimte voor groenten. Ze waren nu met z'n tweeën. De lege plekken werden ingevuld met namen van bloemen: asters, lelies, hortensia's, gladiolen, klaprozen, korenbloemen, kraaienbloemen, zonnebloemen. Ze werden in maart met kippenmest gezaaid. Twee maanden later liep zijn moeder met het eerste boeket uit de tuin naar de begraafplaats, elke week legde ze andere bloemen op het graf van haar man en dat van haar zoon.[5]  
Synoniemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen