herbouwen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·bou·wen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
herbouwen
herbouwde
herbouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

herbouwen

  1. overgankelijk opnieuw opbouwen
    • Na de aardbeving werd de stad al snel herbouwd. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.