hef

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hef
enkelvoud meervoud
naamwoord hef heffen
verkleinwoord hefje hefjes

Zelfstandig naamwoord

hef v/m

  1. bezinksel van vloeistoffen

Werkwoord

vervoeging van
heffen

hef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heffen
    • Ik hef. 
  2. gebiedende wijs van heffen
    • Hef! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heffen
    • Hef je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord hef hefte
hewwe

Zelfstandig naamwoord

hef

  1. heft, handvat
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
hef
gehef
volledig

Werkwoord

hef

  1. heffen