harmonica

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • har·mo·ni·ca
enkelvoud meervoud
naamwoord harmonica harmonica's
verkleinwoord harmonicaatje harmonicaatjes

Zelfstandig naamwoord

harmonica v

  1. (muziekinstrument) een trekharmonica
    Voor zijn verjaardag kreeg hij een nieuwe harmonica.
  2. (muziekinstrument) een mondharmonica
    Die man speelde de hele dag op zijn harmonica.
  3. een zigzagvormig verbindingsstuk
    Kun je mij die harmonica even aangeven?