hall

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hall
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hall halls
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

hall m

  1. hoge ruimte in een gebouw om een groter aantal mensen te ontvangen
    • Al van bij het binnenkomen in de grote hall zag ik dat het goed zat. Het liep er vol volk en de studenten trokken in grote drommen naar boven. [2]
    • Opeens rent John de hall binnen met een geweer in de hand. [3]
Synoniemen

Gangbaarheid

34 % van de Nederlanders;
58 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
hall halls

Zelfstandig naamwoord

hall

  1. hal


Hongaars

Werkwoord

hall

  1. horen