habbekrats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hab·be·krats
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Jiddisch, in de betekenis van ‘kleinigheid, klein bedrag’ voor het eerst aangetroffen in 1906 [1]
  • Ontleend aan Jiddisch 'habbekratz' (kleinigheid) [2][3][4]
enkelvoud meervoud
naamwoord habbekrats habbekratsen
verkleinwoord habbekratsje habbekratsjes

Zelfstandig naamwoord

habbekrats v/m

  1. een onbeduidend bedrag, een veel te lage prijs
    • Dat is voor een habbekrats verkwanseld. 
  2. (Jiddisch-Hebreeuws) kleinigheid (meestal gezegd van geld)

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen